MEI - Leo Vroman
Op een zondagmiddag in mei,
toen de dotterbloemen bloeiden,
stond ik daar, tussen het riet.
Een waterhoen zag me wel
maar vluchtte niet
of niet best
voor die magere knaap
met de schoenen zwaar van klei,
het visnet zwaar van waterpest,
de oogleden zwaar van slaap.
En zoveel jaren later
(de wind hield je halflange
haren weggelicht
van je lichtbruine wangen,
ik zag je hele gezicht!)
toen zei ik : ‘zal ik ze vasthouden
die dotterbloemen?’
Maar je hals deed je hoofd neenee
gaan, ‘ik neem die zelf mee’
je lippen bespraken de wind
als een dwarsfluit naar mij toe,
zachte woorden met waaigeluid.
Mei ’39 was dat.
Ik heb dit op tafel gelegd.
Straks lees je het en zegt:
‘38’.
